Amsterdam, 11 oktober 1999.
Dag Frank,
je recensie in Pers over de Elyade heb ik met aandacht gelezen. Je maakt er enkele juiste observaties met betrekking tot het ontwerp van de Elyade, die er, in mijn woorden, op neer komen dat ik enkele vormwetten geschonden heb. Daar beperk je je echter niet toe. Je verbindt er conclusies aan die je baseert op je werk als letterontwerper van diverse lettertypen. Op het verband tussen je conclusies en je achtergrond wil ik nader ingaan.
Een van mijn basisgegevens was dat de Griekse Perpetua en de Griekse Romulus door mijn promotiecommissie niet geaccepteerd zouden worden. Deze door meesters ontworpen lettertypen zijn daarmee, praktisch gesproken, niet in hun opzet geslaagd. De mogelijkheid om wel te slagen staat dus niet bij voorbaat vast, maar moet eerst geschapen worden. Dit houdt onder meer in dat grondig onderzoek verricht moet worden naar de achtergrond van hun mislukking. Dat wil zeggen: niet alleen naar de uiteenlopende wegen die het Griekse en Latijnse schriftbeeld in de loop der eeuwen gegaan zijn, maar ook een grondige analyse van de huidige vormwetten en hun eventuele verbondenheid met de weg die het Latijnse schriftbeeld gegaan is. Anders gezegd: te onderzoeken in hoeverre de mislukking teruggaat op vormdwang en daarmee op de stricte handhaving van de geldende vormwetten door de betreffende ontwerpers. Dat vereist een ontdogmatisering van de geldende vormwetten.
Dat is een pittige onderneming. En dat maakt ook iedere recensie van zon onderwerp tot een pittige onderneming. Een van de wegen om dit onderzoek te verrichten is om de schetsen te bestuderen van Griekse letterontwerpen. Wie de schetsen van de Griekse Romulus en van de Griekse Albertina goed bestudeert, ziet de problemen waar de diverse ontwerpers zich mee geconfronteerd zagen aanschouwelijk voor zich. Het is nogal wat als Van Krimpen op een blad met 19 tekens vier Phis tekent. Wie deze schetsen goed bestudeert, ziet de gekozen oplossingen voor de vormproblematiek. Deze oplossingen zijn verschillend, al naar gelang de gemaakte keuzes en het beoogde doel. Maar wie zelf aan het ontwerpen slaat, moet oplossingen vinden die consistent zijn met het eigen doel. Met de Elyade had ik zelfs een tweeledig doel: binnen de harmonisering van Grieks en Latijns schrift een tijdloze letter te ontwerpen. Ook dat vereiste een ontdogmatisering van de geldende vormwetten. Op een gegeven ogenblik werd dat zelfs mij te gortig. Ik maakte een afspraak met Gerard Unger in Arti om hem het probleem voor te leggen dat ik voor een bepaalde letter meende nóg een vormwet te moeten schenden. Nadat hij mijn overwegingen had aangehoord, en de oplossing die ik bedacht had om de werking van de schending van deze vormwet optisch uit te schakelen, zei hij «There are no hard rules.». De schending van deze vormwet wordt niet genoemd in je artikel.
Evenzo kan het onderzoek teruggrijpen op incunabelen, en bijvoorbeeld Scholderers New Hellenic Fount vergelijken met de uitgave waar hij zich op baseerde uit 1482, of kan iemand zich baseren op middeleeuwse Griekse handschriften om een idee te krijgen hoe het mogelijk is dat twee schriftbeelden die aan het begin van de jaartelling voor de helft gelijk waren nu totaal anders ogen. Mijn onderzoek van een 11de eeuws handschrift leverde me zo trouwens ook nog een wetenschappelijke publicatie op doordat ik een onbekende tekst van Heraclitus ontdekte. En dan zwijg ik nog over de talloze Aldinen die de afgelopen jaren door mijn handen zijn gegaan.
Een andere manier is uiteraard om de moderne typografische literatuur te lezen. En wie ziet dat mijn dissertatie 40 bladzijden bibliografie bevat en wie bovendien enig verstand van typografie heeft moet wel stuitend onnozel zijn om te denken dat ik niet ook die randliteratuur bestudeerd zou hebben en niet zou weten wie de lettersnijder van Manutius was, of de ontwikkelingsgang van de gelicentieerde Amsterdamse Garamond niet zou kennen. Mijn hele proefschrift straalt immers zelfs voor een leek een streven naar perfectie uit. Dat houdt ook in dat iemand er van uit mag gaan dat wanneer ik vormwetten schend, ik zulks bewust doe en dat iemand die zich aan een oordeel daarover wil wagen, zich eerst moet verdiepen in mijn uitgangspunten en in mijn doel. En tot de slotsom moet komen dat mijn schending van vormwetten misschien wel deels maar niet geheel verklaard kan worden door de harmonisering van Grieks en Latijns schrift. Op dit punt blijf je in gebreke qua onderscheidingsvermogen. De indruk dringt zich daarmee op dat jouw optiek kennelijk niet volstaat als basis om naar een letter als de Elyade te kijken.
Het eerste wat een recensent mijn inziens met de Elyade wel te doen staat is om de vormproblematiek te belichten, het doel (of in mijn geval: de doelen) en zich op de hoogte te stellen van de gemaakte keuzes binnen het bestek van de algemene mogelijkheden. Pas daarna kan een oordeel gegeven worden. In jouw beschouwing ontbreekt een uiteenzetting van de vormproblematiek, ontbreekt een onderzoek naar de gemaakte keuzes en naar de mogelijkheid om functioneel vormwetten te schenden. Dat is vreemd. Jij moet bij uitstek op de hoogte zijn van het feit dat het Griekse schriftbeeld op een cursieve vorm teruggaat en het Latijnse op een romeinse vorm. Je moet evenzeer op de hoogte zijn van de ideeën die bijvoorbeeld Gerrit Noordzij heeft over de fundamentele verschillen tussen cursieve en romeinse vormen. Aandacht hiervoor in jouw recensie had mij dan ook niet alleen wenselijk maar zelfs onontbeerlijk geleken, onontbeerlijk omdat anders de indruk gewekt zou kunnen worden dat je vak niet zou verstaan. Een muziekrecensent mag nog zoveel van Bach houden, maar op het moment dat hij een jazzmusicus verwijt geen composities van Bach te spelen gaat hij de mist in. Men kan zich dus afvragen wat je ervan weerhouden heeft om je argumenten helder en met redenen omkleed op tafel te leggen of om daar op zijn minst een poging toe te doen. De houding van rabiate schriftgeleerde is nog geen teken van professionaliteit. Het markeert een van de tegenstrijdigheden in je betoog, naast vele andere.
Zo geef je zelf aan wat een zware opgave het is om een letter te ontwerpen die het Griekse en Latijnse schriftbeeld harmonieus samenvoegt. Dat is dus een uitdaging waar alleen een perfectionist aan begint. Een perfectionist die alle adviezen ter harte neemt, wikt en weegt en voortdurend beseft nog niet volledig in zijn doel geslaagd te zijn. Wanneer je zegt dat ik me jouw kritiek niet aan hoef te trekken, misken je dit perfectionisme. Maar los daarvan, wie zijn ogen de kost geeft en mijn dissertatie ziet en in de hand neemt, ziet welk perfectionisme ten grondslag ligt aan mijn esthetisch project (waar het schrijven en verdedigen van een proefschrift onder meer onder viel). Hij zou toch moeten zien dat ik mij in het schrijven en in de vormgeving, ook van de tekstuitgaven een perfectionist betoon (Unger gaf alleen al door de discussie met mij over de vormgeving van voetnoten er later op de Rietveld een college over). Je zag het niet. althans, uit je recensie blijkt het niet, en daarmee ontbreekt ook de link met de andere aspecten van mijn project. Ook dat is een tegenstrijdigheid in je recensie. Kijk dan even naar het stuk van Koosje Sierman in de aanstaande Compres: zij mag dan nooit een letter ontworpen hebben, laat staan een Griekse in samenhang met een Latijnse, maar zij heeft wel de gedreven nauwgezetheid en openheid in acht genomen die voor een bespreking van deze letter vereist is. Waarschijnlijk beseft zij ook dat wie in een recensie de dialoog met extravagantie aangaat, daarmee niet alleen zeggenschap krijgt over de formulering ervan, maar ook in de beperkingen die kunnen kleven aan de bespreking van het niet¨extravagante. In buitensporigheid zit de kiem van het aanstaande en door bij voorbaat, al dan niet ondoordacht, met het bestaande te sporen, kiest iemand voor dogmas.
Sterker nog: wie een beetje benul van typografie heeft en hoort dat mijn esthetisch project over de maatvoering en grootte van de zon gaat, zou toch kunnen zien dat dit misschien het onderwerp van mijn proefschrift moge zijn, maar dat mijn esthetisch project evenzeer gaat over de grenzen, de maat en wetmatigheid van typografie. Over het toetsen van de bestaande wetten aan gegeven nieuwe realiteiten. In jouw recensie heb je daar finaal langsheen gekeken en klakkeloos de proefschrift-formulering overgenomen. Dat is niet alleen een tegenstijdigheid in je betoog, maar evenzeer een vorm van verblinding. Voor dergelijk plompverloren gehannes koopt niemand wat. Het op mijn filosofische achtergrond spelen zie ik dan ook als een doorzichtig zwaktebod. Tel de filosofische begrippen in deze brief maar eens en als je op meer dan vijf komt (het woord filosofisch telt niet mee) krijg je van mij een fles champagne. Maar laten we die dan wel samen opdrinken en nog wat napraten. Je mag trouwens het leeuwendeel van de fles voor je rekening nemen, want ik ben nogal matig met alcohol. Dus kom op, kerel, word eens wakker en kijk!
Loek Schönbeck
|
Click on the button for |  | the original review. |
Naschrift 6 november 1999:
Hub. Hubben sprak in zijn recensie van Sunbowl or Symbol in de Volkskrant van de ongelooflijke complexiteit van dit boek. Onbedoeld gaf hij daarmee tevens mijn wereldbeeld weer, waarin dingen niet gewoon zijn, waarin reductionisme meer in het algemeen een gebrek aan nieuwsgierigheid verraadt en waarin attitudes niet met het woord kift geaccentueerd worden. Typografie is voor mij een serieuze zaak, die geen circumstantial evidence behoeft, laat staan diffamatie.
|
Click on the button for |  | the original review. |
|
Click on the button for |  | the survey of reviews. |