

nederlands genootschap van bibliofielen
lezing 23 oktober 1999

Toen ik, in verband met het ontwerpen van een nieuw lettertype, voor het eerst de uitgave De Ætna, gedrukt door Aldus Manutius, opensloeg, was ik de eerste minuten sprakeloos (afb. 1). De schoonheid van dit boek overweldigde me zo, dat ik geen bladzij om kon slaan. Vervolgens wilde ik weten wat het fascinerende aan dit boek was. En of het misschien mogelijk zou zijn een lettertype te ontwerpen dat een zelfde soort fascinatie teweeg zou brengen. Maar ik ontdekte ook nog iets anders: ik had namelijk afbeeldingen van de Amsterdamse Garamond meegenomen en ontdekte dat deze laatste volledig verbleekten bij de letters van Manutius (afb. 2a). Aan deze twee kwesties zal deze lezing grotendeels gewijd zijn.

Als men de letters onderzoekt die in de De Ætna gebruikt zijn, ontdekt men al gauw dat er op één en dezelfde bladzij niet één vorm van de a voorkomt, maar meerdere vormen van de a. Evenzo geldt dat voor andere letters. Dat wil niet bij voorbaat zeggen dat deze verschillen teruggaan op verschillen in de gesneden letter. Het kan evengoed gekomen zijn door de aard van het papier, de chemische eigenschappen van de drukinkt of het verschillend afbrokkelen van de gegoten vormen. Maar dat doet voor de schoonheid niet ter zake. Want ongeacht het procédé dat voor de verschillen in afdruk gezorgd heeft, ontstaat door deze afdruk een sprankelend letterbeeld. Een letterbeeld weliswaar, dat niet gehoorzaamt aan de strakke regelmatigheid die door de typografische vormwetten bepleit wordt. Als het zo is dat het onder meer dit sprankelende letterbeeld is dat de fascinatie voor bepaalde incunabelen teweegbrengt, betekent dit, dat men de vormwetten stuk voor stuk tegen het licht kan houden. En dat een van de manieren om deze fascinatie opnieuw op te roepen eruit kan bestaan om sommige vormwetten functioneel buiten werking te stellen.
Het is maar één manier. Want in het verleden is op diverse manieren geprobeerd om deze fascinatie op te roepen. De De Ætna werd geschreven door de kardinaal en filosoof Pietro Bembo, en gezet in door Francesco Griffo gesneden letters. Naar de eerste is de door Morison ontworpen letter genoemd, naar de laatste de door Marin ontworpen letter (afb. 2b).
Morison bleef met zijn ontwerp binnen de vormwetten. Voor mij brengt een boek dat in de Bembo gezet is dan ook niet dezelfde fascinatie teweeg als het boek van Manutius. Bovendien blijft mijn oog voortdurend haken op de onderkast-j, die bovendien behoorlijk afwijkt van wat als de onderkast-j in de De Ætna gezien kan worden (afb. 3). Er zijn ook diverse andere pogingen gedaan om het effect van een incunabel-letter te reconstrueren. Een van die manieren is om één letter van zo'n bladzij eruit te lichten en die te digitaliseren als de letter van zo'n font. De beperkingen van deze opzet blijken bijvoorbeeld als we een woord als gejeremieer in zo'n lettertype (in dit geval: de Casablanca antiqua) afdrukken: vijf keer precies dezelfde inkeping in de e (afbeelding 4). Een goedkoop effect dat voor mij niet om aan te zien is. Twee jaar geleden werd er overigens wel een symposium in Veneti over Aldus Manutius mee aangekondigd.
Enkele jaren geleden heeft een beroemd Nederlands ontwerpersduo Erik van Blokland en Just van Rossum, het op een andere boeg gegooid. Zij maakten vernuftig gebruik van de mogelijkheden die de techniek biedt waarmee tegenwoordig vrwel alle boeken, kranten en tijdschriften gedrukt worden, het zogenaamde PostScript . Doot telkens één letter in PostScript te ontwerpen maar er een code aan toe te voegen die ervoor zorgt dat iedere letter op een bladzij net even anders oogt (afb. 5), ontstaat inderdaad een eigentijdse letter die, in oorsprong gebaseerd op de vormwetten, er een sprankeling aan toevoegt. Overigens heeft dit duo ook de letters van een aftanse schrijfmachine gedigitaliseerd. Hoewel het woord gejeremieer in dat lettertype ook vijf keer dezelfde e toont, stoort het in dit geval niet. In tegenstelling tot de Casablanca antiqua waar een lettersituatie geproduceerd wordt die nooit voorkwam, hebben Van Blokland en Van Rossum zich gebaseerd op een feitelijk bestaande situatie, namelijk die van een bestaande tikmachine.
Zelf probeerde ik voor mijn proefschrift de fascinatie weer op een andere manier naar voren te roepen. Door namelijk, overigens net als de Casablanca, per letter een bepaalde onregelmatigheid in te bouwen, maar nu zo dat alle onregelmatigheden van alle letters bij elkaar op elkaar afgestemd zijn. Ze vertonen zo, als het ware, een regelmatige onregelmatigheid. Ik heb dit gedaan door al deze vormen een vloeiende gestalte mee te geven, zodat allemaal kleine eigenwijze vormpjes ontstaan zn, die toch in de pas lopen (afbn 6/7a,7b). Hierbij ben ik volledig uitgegaan van het letterbeeld. Dat hield ook in dat ik een heel eigen notie had als basis van het ontwerpen.
Zo'n notie hanteert iedere ontwerper als de persoonlijke sleutel tot zijn ontwerpen. De letterontwerper en calligraaf Chris Brand stelde bijvoorbeeld dat bij het ontwerpen eerst uitgegaan moest worden van het wit, en dan pas van het zwart. Ik had een ander uitgangspunt, dat onder meer inhield dat het oog nooit mocht haken aan de omtrek van een letter en dat geen van mijn letters mocht bezwijken' of verbleken ten opzichte van de corresponderende incunabel of post-incunabel letter, voor zover in de polis van Manutius aanwezig. Dat uitgangspunt staat op gespannen voet met het primaat van het vormgevoel en is daarom een voor letterontwerpers nogal ongebruikelijke tactiek.